De man die geen biologisch nut meer had

Het was zondag. We zouden naar Zeeland gaan, wandelen op het strand en kijken naar de aanrollende golven, maar in plaats daarvan was ik die middag in het ziekenhuis beland. Het was niet mijn eerste rit in een ambulance, maar wel de eerste met een loeiende sirene, en het gebeuren maakte meer indruk op me dan het op een andere dag zou doen. De stress drukte namelijk al een aantal weken zwaar op mijn hart.

Negen dagen scheidden me van mijn volgende controle, het moment waarop duidelijk zou worden of het beest met de naam eierstokkanker teruggekeerd was of niet. De angst beheerste elke gedachte, elke beslissing, mijn leven stond on hold. Eerst moest ik zien of ik verder mocht leven. Pas daarna kon ik weer plannen.

En nu gebeurde ook nog dit.

Witte jassen liepen af en aan op de spoeddienst. Er werd geprikt en gemeten, ik werd uitgekleed en scanners binnengerold. Overal waren buisjes, slangetjes, piepende monitors en stemmen. En al die tijd was er maar één gedachte in mijn hoofd: ik moest naar huis. Zo snel als dat kon. Ik had genoeg ziekenhuizen gezien de laatste jaren. Het was de laatste plek waar ik wilde zijn.

Relatief snel bleek dat het allemaal wellicht meeviel. Maar blijven moest ik wel. Observatie. Geen risico’s nemen. Ik zou er moeten overnachten. Twee keer zelfs.

Het besef drong volop tot me door. Ik was opnieuw in een ziekenhuis. En elke minuut werd de drang sterker om weg te lopen, werd ik meer gek.

Gek van het junk food dat me voorgeschoteld werd, de witte sponsboterhammen, de Royco Minute Soup en de pudding vol suiker die een ziek mens moeten genezen en die ik voor geen goud ter wereld door mijn keel zou duwen. Gek van de verpleegster die midden in de nacht mijn kamer binnenstormde om mijn bloeddruk te meten. Gek van de hitte in de kamer, van de dokter die niet kwam en die ik dus ook niet kon overtuigen om me te laten vertrekken. Want haar overtuigen, dat zou ik doen. Met duizend woorden die al klaar zaten in mijn keel.

De dokter kwam, ik stortte de woorden over haar uit, overtuigde en mocht naar huis. Een dag vroeger dan voorzien, als ik tenminste beloofde terug te keren voor verdere onderzoeken.

Het was drie dagen later dat ik bij de cardioloog zat, een man die volledig uit ergernis en onderdrukte boosheid opgetrokken leek en me al bij de eerste oogopslag nors aankeek. Dat ze me overboekt hadden die dag, zei hij zodra ik zijn kabinet binnenkwam. Dat hij het al druk genoeg had en mij er niet meer bij kon nemen, maar dat “ze” mij er zomaar tussen hadden gezet.

Met nerveuze gebaren begon hij aan een echo, gromde en zuchtte, opperde nog eens dat hij geen tijd voor me had.

Vanuit mijn hart, dat op het scherm verscheen, probeerde ik een wolk van compassie uit te stralen naar de man. die zo meteen voor mijn ogen in stof uiteen zou vallen, zo dacht ik, en ik zei hem dat hij ook aan zijn eigen hart moest denken terwijl hij met de harten van anderen bezig was, dat al die stress niet gezond voor hem was.

‘O, als ik morgen niet meer wakker word, dan is dat helemaal oké voor mij, hoor. Ik kan er niet tegen dat ik grijs haar heb en mijn rug doet pijn wanneer ik wakker word. Ik ben oud. Het is tijd om te sterven.’

Ik probeerde zijn woorden te vatten, vroeg hem hoe oud hij was en hoorde het cijfer 52. Ik dacht aan mijn controle, die op dat moment nog maar 4 dagen van me gescheiden was, aan alle dingen die ik nog wilde realiseren in de volgende dertig jaar, en er ging een steek van verdriet door me heen.

‘Ik ben ook 52.’ Mijn stem klonk als gefluister. ‘Net als jij. Maar ik hoop nog heel lang te mogen leven.’

‘Wel, toch niet al te lang, hoop ik dan.’ Op het scherm meende ik mijn hart sneller te zien kloppen. ‘Mensen leven tegenwoordig veel te lang. En dat kost geld. Weet je dat ik nieuwe hartkleppen moet steken in mensen die 80 zijn? Helemaal tegen mijn principes. Maar ik word ervoor betaald. En dus doe ik het. Terwijl ik eigenlijk vind: mensen van 80, daar moet niet meer aan gesleuteld worden. Die zijn klaar.’

‘En op je vijftigste ben je dat dus ook al?’

Na je vijftigste heb je toch geen enkele biologische functie meer als mens? Dan ga je beter dood.’

‘Geen biologische functie?’

‘Niet iedereen staat daar bij stil, mevrouw, maar weet je, we zijn op de wereld gezet om ons voort te planten. Dat is onze biologische taak. Wel, ik heb mijn taak volbracht. Ik heb drie kinderen. Twintigers ondertussen. Ze kunnen verder zonder mij. Ze hebben geen vader meer nodig.’

Hij hapte naar adem. Liet zijn blik rusten op het litteken op mijn buik, dat van boven naar onder liep, en dat alles te maken had met de controle waar ik zoveel schrik voor had.

‘Nu ja, creperen aan kanker, dat zou ik nu ook weer niet willen. Maar een snelle dood, laat die maar komen vanaf nu. Morgen niet meer wakker worden. Ik teken er meteen voor.’

Mijn hoofd voelde verdoofd toen ik even later naar huis reed met elektroden op mijn buik en borst en een lint rond mijn hals met een Holter, die elke klop van mijn hart 24 uur lang zou registreren. Ik dacht aan de zonen van de man, hoe die op hun twintigste geen vader meer nodig hadden terwijl ik die van mij nog altijd koesterde. Ik dacht aan mijn eigen kinderen, die twintigers waren, en die ik nog lang niet achter wilde laten op deze wereld. Ik zag vijftigers op straat, zeventigers en zelfs een man van minstens negentig. Mensen die al lang dood hadden moeten zijn, die zich niet meer konden voortplanten en dus geen enkel nut meer hadden voor de wereld.

Vier dagen later zat ik voor de professor. Mijn bloed was onderzocht. De tumormarker was stabiel gebleven, de dood zat me nog niet op de hielen. Opluchting en vreugde overspoelden mijn hart. Ik sprak de professor over mijn angst, over hoe overheersend die was, hoe onmogelijk het leek om die te beteugelen omdat het om de absolute oerangst ging, de angst om te sterven.

‘En waarom precies ben je zo bang voor de dood?’ vroeg ze met haar lieve empathische stem. Haar ogen, die een en al oprechte interesse uitstraalden, keken me aan, en ik dacht aan de vorige keer, toen ze me verteld had hoe graag ze haar job deed. ‘Kun je dat misschien even uitleggen?’

Ik dacht na.

En wist meteen dat haar vraag iets duidelijk maakte. In feite was ik helemaal niet bang voor de dood. Ik had namelijk geen idee hoe dood zijn zou voelen. Waar ik wel bang voor was, was om niet meer te mogen leven. Ik was doodsbang om de zon niet meer te zien opkomen in een trillende oranje gloed en ze te zien ondergaan voor alweer een nieuwe nacht, ik was als de dood om de vertrouwde geur van mijn kinderen niet meer te kunnen opsnuiven terwijl ik hen een knuffel gaf, om niet meer te zien hoe ze hun leven verder uitbouwden en misschien op hun beurt kinderen kregen, om nooit meer te kunnen genieten van een meesterlijk geschreven roman of van een comedy show waarbij ik bijna op de grond belandde van het lachen, ik was bang om geen mensen meer te kunnen helpen die worstelden met de uitdagingen van het leven, om me niet meer te kunnen verliezen in hemelse muziek, in de golven van de zee en in het ruisen van de wind door de bomen.

Ik wilde leven, leven, leven. Het liefst nog veertig jaar. Me nuttig voelen omdat ik ergens een verschil kon maken, ook al plantte ik me niet meer voort.

Ik dacht terug aan de cardioloog en voelde intens medelijden met de man, die wel erg ongelukkig moest zijn, die daardoor de rede als enige maatstaf hanteerde en emoties als overbodig beschouwde, die het liefst morgen niet meer wakker zou worden omdat het allemaal niet meer hoefde.

Misschien zou zijn hart het nog dertig jaar volhouden, werd hij nog duizenden ochtenden tegen zijn zin wakker.

Misschien zou hij op een dag zijn kwetsbaarheid omarmen en op zoek gaan naar hulp.

Of misschien wilde hij dit niet en zou hij binnenkort sterven, verlost zijn van dit bestaan.

Ik stelde me voor dat zijn vrouw en zonen dan zouden treuren om een leven dat mooier had kunnen zijn. Dat ze samen zouden zitten in tranen en zouden zoeken naar de juiste woorden. Ik hoopte vooral dat ze zijn eigen woorden niet zouden citeren, de theorie waar hij voor stond.

Dat niemand van hen ook maar even zou zeggen:

‘Papa is gestorven. Hij had geen biologisch nut meer.’

BLOG CATEGORIEËN

RECENTE BLOGS

0 reacties

Een reactie versturen

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Toolbox voor een zenuwstelsel in balans

Voel je je voortdurend overweldigd? Heb je last van stress, misschien ook wel van angsten?

 

En ervaar je daardoor ook fysieke klachten?

 

In mijn 15 pagina's tellende e-book geef ik jou een complete toolbox met een waaier aan oefeningen die jou in minder dan 30 minuten elke dag opnieuw toestaan om je zenuwstelsel in balans te brengen en eindelijk weer rust te gaan ervaren in lichaam en geest.

Heel leuk dat je mijn e-book wilt ontvangen. Je krijgt het zo meteen in een mail. Check zeker ook je spam.

Pin It on Pinterest