De gremlins

De laatste bloedtransfusie had mijn lijf nog één chemo verder gesleurd. Toen lukte ook de truc met andermans bloed niet meer. Mijn immuunsysteem was vernietigd, alles binnenin me smeekte om rust en de dokter gaf zich gewonnen.

Vriendinnen juichten toen ik liet weten dat de laatste chemo niet meer door kon gaan. Ze hoopten op een gevoel van bevrijding, wensten me een snelle recuperatie toe en een nieuwe start.

Maar al wat ik voelde was angst.

Ondanks alles was de chemo, die ik eerst zelfs had willen weigeren, namelijk als een bondgenoot gaan aanvoelen, als een broer die samen met mij elke week op het monster had geklopt, het in mootjes had gehakt. Vier maanden lang had deze broer naast me gestaan. Hij had me nu en dan een flinke pandoering gegeven, een heuse uppercut zelfs, maar zoals elke broer had hij uiteindelijk het beste met me voorgehad.

En nu was de behandeling voorbij. Mijn broer was weggewandeld in een dikke mist en mijn lot lag volledig in mijn handen. Het voelde eng, alsof iemand me een loodzware opdracht toebedeeld had en ik daarbij één kans kreeg. Deed ik het goed, dan mocht ik leven. Deed ik het slecht, dan wachtte de dood.

Een gevoel van eenzaamheid overviel me, ik kroop in mijn coconnetje en keek in gedachten dwars door mijn huid, waar mijn blik botste op de kwaadaardige resten van het monster. Bijeengedreven in een hoekje, murw geslagen door de wekelijkse mokerslagen, lag een troep overlevende cellen op de loer. Ze keken me uitdagend aan, als gremlins. Ik zag hoe ze afwachtten, hoe ze de eerste gelegenheid zouden willen aangrijpen om het terrein opnieuw te veroveren. Het was dus zaak me schrap te zetten. Stoer keek ik hen in de ogen, ik vertelde hen dat ze beter bleven waar ze waren, dat ik nog steeds met een hamer in de hand klaar stond, maar in realiteit voelde ik me klein en kwetsbaar. De hamer was namelijk niets anders dan mijn immuunsysteem. Bij de eerste aanval zou het de klus moeten klaren. Het zou de gremlins moeten uitschakelen met precisie en kracht. Maar dat immuunsysteem lag plat op de grond.

De opdracht woog als lood op mijn schouders. Ik huilde en was bang, maar tegelijk zei iets in me dat ik de moed niet mocht laten zakken, dat angst de gremlins alleen maar meer kansen en meer kracht zou geven en dat ik er bovendien een nieuwe broer bij had, die ik dankbaar moest omarmen. Het was de broer die bestond uit alle kennis die ik verzameld had, alle vuistdikke boeken die ik had verslonden en in mijn hoofd had gepropt en alle opleidingen waar ik zelf anderen vooruit mee hielp. Mijn kennis zou me toestaan mijn immuunsysteem te herstellen.

Meteen ging ik aan de slag. Ik stelde een dagschema op, legde de momenten vast waarop ik zou mediteren, ademhalingsoefeningen zou doen en yoga, waarop ik naast de koude douches ook koude baden zou nemen in onze zwemvijver, waarop ik minstens een uur zou wandelen of fietsen en waarop ik zou koken, soep zou maken en groentesappen persen. Ik zette het anti-kankerdieet verder dat ik al maanden volgde, en verheugde me op de hele batterij supplementen die ik er nu aan toe kon voegen, die ik tijdens de chemo niet had mogen slikken. Eindelijk zouden mijn darmen kunnen herstellen, die arme darmen die de laatste maanden oorverdovend van zich hadden laten horen, die totaal overhoop hadden gelegen, mijn darmen die het hart vormden van mijn immuniteit en dus zo snel mogelijk hun evenwicht moesten hervinden. Zij waren prioriteit nummer één, zoals ook mijn huisarts bevestigde, de man aan wie ik mijn lange lijst supplementen ter goedkeuring voorlegde.

Het actieplan bracht rust. Binnenkort zouden we bovendien op reis gaan. We zouden een duik nemen in de natuur en de zon. Misschien kwam alles toch nog goed, zou mijn lichaam snel herstellen en bestand zijn tegen elke aanval.

Ik herleefde en richtte me op de toekomst.

En toen begon het. Nauwelijks een week na de chemo. Buikloop. In de ergste graad. Eerst dacht ik nog dat het de naweeën waren van de behandeling, dat het vanzelf wel over zou gaan, en we vertrokken op reis. In een hemels stukje Frankrijk genoot ik met volle teugen van de wandelingen die we maakten, van de zon op ons hoofd, de ruwe rotsen, de wilde tijm die ik elke dag plukte om verse thee mee te maken, ik genoot van de rust, de stilte, de olijfbomen en de blauwe lucht. Maar terwijl ik mijn nieuwe leven verder instapte en het oude achter me wilde laten, trok dat ene probleem steeds harder aan mijn mouw. Ook ’s nachts moest ik nu opstaan om mijn darmen van hun inhoud te bevrijden. Eén keer, twee keer, drie keer. Overdag nog een keer of tien.

Het was een week na onze terugkeer dat een alarmplan in gang werd gezet. De huisarts vroeg een staal, regelde een dringend consult bij de maag- en darmspecialist toen daar niets in werd gevonden en ik sleepte me weer naar het ziekenhuis, waar ik zo graag nog heel lang weg had kunnen blijven. Ik legde me op de behandeltafel van de internist, voelde zijn handen op mijn buik en hoorde hoe hij die een strak opgeblazen ballon noemde met extreme gisting en meteen de mogelijke oorzaken overliep.  Ze klonken een voor een als enge beesten.

Het engste beest noemde hij pas op het eind. Ook darmkanker kon namelijk de oorzaak zijn, zo zei hij ontspannen. En hij tikte nog wat op zijn computer.

Het was de ultieme trigger, het woord dat herinneringen en emoties opriep die alle rede verdreven. Op slag werd de hele kamer ondergedompeld in een waas. In de verte hoorde ik nog woorden als coloscopie en gastroscopie, volledige narcose en dagopname, maar binnenin herhaalde één woord zich in een eindeloze loop: Kanker.

Verblind door tranen fietste ik naar huis. Wekenlang had ik me zorgen gemaakt omdat door de buikloop mijn immuniteit niet kon herstellen, omdat mijn darmen de zo noodzakelijke voedingsstoffen niet absorbeerden en de gremlins zo meer vrijheid konden krijgen. Maar aan een tweede kanker had ik nooit gedacht.

We zijn tien dagen verder. Buisjes en camera’s wurmden zich ondertussen een weg doorheen mijn lijf, botsten gelukkig niet op zichtbare indringers, weefsel werd afgenomen voor onderzoek.

Ik wacht. En wacht. En vertel mezelf die ene zekerheid: dat mijn leven voor altijd deels uit wachten zal bestaan, dat de zorgeloosheid die er ooit was sowieso nooit meer terugkomt.

Leven en dood liggen vlakbij elkaar. Ergens weten we dat allemaal. De meesten negeren deze waarheid het liefst. Maar wie de dood in de ogen keek, vergeet het nooit meer.

BLOG CATEGORIEËN

RECENTE BLOGS

0 reacties

Een reactie versturen

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Pin It on Pinterest

© Flying Queen