Ik kreeg het ijskoud en er spande zich een snoer rond mijn hart toen ik het verhaal las van Evaëlle, een Frans meisje van elf. Ze stapte uit het leven na zware pesterijen op school. Zelfs de juf had haar geviseerd.

Ik las het artikel, het snoer trok steeds strakker rond mijn hart en in mijn lijf voelde ik alles opnieuw. De onmacht, de wanhoop, de uitsluiting. Ik hoorde de woorden van mijn pestkoppen weerklinken: ‘Ga weg, je speelt niet met ons mee, we moeten je niet hebben.’

Sinds mijn derde hoorde ik het elke dag. Tot het op mijn vijftiende abrupt ophield, toen mijn zelfbeeld zich al had gevormd en de destructieve krachten er in alle hevigheid op hadden ingehakt. Want na een tijd was ik het allemaal gaan geloven. Ik hoorde er niet bij, ik was een nietsnut, ik was zelfs geen vriendschap waard.

Ik bekeek de foto van Evaëlle en dacht aan alle juffen en leraars die consequent het hoofd hadden gedraaid, die de ogen hadden gesloten, me aan mijn lot overlieten. Ze deden het allemaal.

Ik dacht aan hoeveel erger het werd op mijn dertiende, toen ik bijziend werd. Ik kreeg een bril. Mijn zicht werd nog slechter. Op een dag belandde een boek in mijn handen. Het reikte een methode aan om terug een scherp zicht te krijgen. Voorwaarde was dat bril en lenzen weggestopt werden. Ik was vastbesloten het te proberen, ging aan het werk met de oefeningen, was erg gedreven. Dat ik zelfs vanop de de eerste rij in de klas het bord niet kon lezen, nam ik erbij. Maar nog voor ik het goed besefte, was ik mijn naam kwijt. Ineens was ik niet meer Eveline. Ik was ‘de blinde’. Mijn klasgenoten scandeerden mijn nieuwe naam, verloren zichzelf in de haat waarmee ze de klanken in mijn richting spuwden en lieten zich volledig gaan in hun drang naar maximaal kwetsen. ‘Blinde, blinde’, hoorde ik hen roepen. Tijdens de les prikten ze met passers in mijn rug. Ze draaiden het ventiel van mijn fietsbanden los, liepen weg met mijn muts, zetten ze vol ijs terug op mijn hoofd, gooiden mijn boeken door het raam, namen me mijn etui af, lieten mijn hele boekentas verdwijnen. Ze trokken aan mijn haar, staken hun voet uit toen ik van het bord naar mijn plaats ging, lachten toen ik struikelde. De leraars zagen het, hoorden het. Ze waren potdoof en een pak blinder dan ikzelf. De winterjas die mijn moeder voor me gemaakt had verdween spoorloos. Tijdens de turnles werden al mijn kleren in de douche gelegd. De sportleraar was woedend. Hij stuurde me naar de directeur, die op zijn beurt boos werd, die riep dat ik hem alleen maar last bezorgde en dat ik meteen naar huis moest gaan om andere kledij. In turnshort en turnshirt fietste ik naar huis. Het vroor.

De wiskundeleraar zweepte de klas op. Zelf keek hij zo scheel dat niemand wist wie hij aankeek. Ik was de ideale bliksemafleider, het mikpunt van zijn spot. Toen ik even naar buiten staarde, schreeuwde hij als vermoord, kwam woedend voor mijn bank staan, zijn hele lijf trilde. ‘Waarom kijk je naar buiten? Je ziet toch niets, jij, blinde.’ Hij gooide zijn bril met de visbokaalglazen in de vuilnisbak, gooide zich met zijn volle gewicht tegen mijn bank. ‘Ik zie jou zonder bril,’ schetterde het door de opening in zijn bloedrode gezicht. Maar jij ziet mij niet, hé, jij blinde?’

De klas schaterde het uit, na de les namen twee jongens me vast in de gang, stompten me in de buik. De studiemeester kwam binnen en vatte hen bij de kraag. Als in een droom zag ik hoe hij hen terechtwees.

Ik was veertien.Voor het eerst had een volwassene het voor me opgenomen. Voor het eerst werd iemand gestraft.

We zijn meer dan dertig jaar later. Ik heb een lange weg afgelegd. Een zelfvertrouwen dat totaal was verwoest moest heropgebouwd worden. Ik weet dat mijn leven er anders had uitgezien als dit niet was gebeurd, dat ik andere keuzes had gemaakt.

Ik ben nu zelf de volwassene, sta elke dag voor de klas. Mijn voelsprieten steken uit. Ik weet wie de potentiële pestkoppen zijn. Ik herken ze, ik ruik ze, ik detecteer ze van uren ver. Maar ik geef ze geen kans, grijp hen direct bij de kraag, en vraag hen hoe ze zich zelf zouden voelen.

Want een gepest kind is een gepest kind voor altijd. Ergens gaat het nooit meer voorbij. Eén artikel in de krant en alles is terug.

(juli 2019)

Pin It on Pinterest