We hadden samen in de klas gezeten. Eerst werd de een achttien, dan de ander. Het was 1989 en we zouden niet doen zoals de anderen. Wij zouden de planeet redden van haar ondergang. Met motorbootjes zouden we walvisjagers op de vlucht doen slaan, we zouden zeehondjes redden van moordende knuppels en het ijs van gletsjers koel houden met thermodekens die we desnoods zelf aan elkaar zouden naaien. We hadden een strak plan.

Maar er kwam niets van. We studeerden, werkten, trouwden en zetten onze stamboom voort. We huilden en lachten en feestten en rouwden. We deden wat anderen deden.

Eén keer had ik hem nog teruggezien. Toen hij iets meer was dan achttien. En nu liep ik hem tegen het lijf en was ook hij 55. Het voelde vreemd in mijn hoofd. Daar was hij nog steeds de jongen die zijn idealisme aan het mijne had vastgehaakt en er mijn dromen mee had versterkt. In mijn hoofd was hij eeuwig achttien.

Ik vroeg hem of ook hij het gevoel had dat niets veranderd was daar diep binnenin, of ook hij zich nog diezelfde jongen voelde als toen. Ik voelde me nog hetzelfde meisje. De kern bleef onveranderd.

Hij knikte en we hadden het over toen en over nu. Over hoe we ons nog steeds even kwetsbaar voelden, even onwetend en zoekend naar wat er echt toe deed, over hoe we nog steeds de vinger niet konden leggen op de betekenis van ons bestaan. Voorzichtig tastend zouden we blijven. Dat begon ook hij toch te denken.

Ik vertelde dat ik ooit zeven was en opkeek naar meisjes van twaalf. Die waren groot, begrepen hoe het leven in elkaar zat, wisten in elke situatie wat te doen. Op een dag werd ik zestien en legde ik de grens wat verder. Veertigjarigen, die waren experts in leven. Niets bracht hen nog uit balans.

Maar ook veertig behoort voor mij al tot het verleden. Het aftasten blijft. En ondertussen weet ik het wel zeker: Er is geen grens waarop kwetsbaarheid ophoudt te bestaan. Het leven is een experiment van falen en slagen, van winnen en er meteen daarna weer een zootje van maken, van juichen en even later uit schaamte de blik neerslaan.

En ondertussen glijden we naar de finish. We slalommen rond onze kern, die altijd blijft. Nu en dan blijven we steken. Dan keren we naar binnen en weten weer wat echt telt. Om even later terug wat aan te modderen, hopend dat we op het eind van dit bestaan een beetje tevreden mogen zijn, dat we iets van trots zullen voelen over wat we ervan hebben gemaakt.

Soms droom ik nog van motorbootjes en walvisjagers.

Soms ben ik onoverwinnelijk, soms heel erg kwetsbaar.

Soms ben ik weer achttien.

Soms weet ik dat ik altijd achttien zal blijven.

(april 2019)

Pin It on Pinterest