Je zou denken dat het wel went, dat de angst stilaan minder wordt wanneer je vier jaar na de kankerbehandelingen voor de zoveelste keer op controle moet. Je zou denken dat je er na al die tijd wel vertrouwen in krijgt, in dat monster dat nu al zolang in zijn grot is blijven zitten, dat je gaat geloven dat het jou nu misschien niet meer zal belagen.

Maar niets is minder waar. Want telkens weer zijn het helse dagen, die laatste weken voordat er opnieuw een verdict valt. Dan gaat mijn leven op pauze, maak ik geen plannen meer en ga ik in wachtstand.

Ik wacht. Terwijl mijn lijf zich schrap zet, mijn benen zich klaar maken om te vluchten van iets waar niet aan te ontsnappen valt, terwijl de zweetgolven elkaar opvolgen en de angst vakkundig mijn keel dichtknijpt. Mijn spieren verkrampen, de nachten zijn waakzaam.

Ik wacht. Terwijl de wereld verder raast en zelfs mijn allerliefsten hun gangetje gaan, omdat niemand, maar dan ook niemand, kan voelen wat ik voel, hoe dit is, dit leven-na dat nooit meer zal lijken op het leven-voor.

Je zou denken dat je zowat verdampt in het vuur van de euforie wanneer de dag van de controle daar eindelijk is en je te horen krijgt dat alles nog oké is, dat het monster zich voorlopig gedeisd houdt. Je beeldt je in dat je de hele weg van het dokterskabinet tot aan de parking dansend aflegt, dat je hardop zingt en lacht en meteen een vierjarenplan opstelt omdat je nu eindelijk gelooft dat je misschien, heel misschien, toch nog een heel lang leven voor je hebt.

Maar zo ging het vandaag alweer niet. Want één minuut na de blijdschap en de opluchting komt telkens weer het verdriet bovendrijven, de spijt om al wat nooit meer terugkomt en om wat in de plaats is gekomen, om alle gevolgen die je blijft voelen door de ziekte, door de klap, door de behandelingen die jouw lichaam zozeer tot het uiterste dreven dat ze stopgezet moesten worden. (Gelukkig was het monster toen al knock-out.)

Eén minuut na de bevrijdende woorden denk je al aan de volgende keer, die volgende controle, die ergens in dat hoofd van je zeker niet meer zo goed zal zijn als deze, omdat je credits zo naderhand toch wel opgebruikt moeten zijn, omdat de statistieken jou vertellen dat je zelfs nu nog, zelfs vier jaar na datum, nog steeds een substantiële kans hebt op herval.

En meteen, minder dan zestig seconden na het super goede nieuws, is de angst daar dus terug. Is er bovenop de angst ook nog eens het schuldgevoel. Je voelt je schuldig omdat je niet gewoon blij bent en dankbaar, omdat je niet bent gaan dansen en zingen en lachen, omdat dat niet lukte terwijl dat toch zou moeten, niet? Meteen na de vrijspraak voel je alweer dat harnas om je lijf, dat verdriet dat zich ergens in je ingewanden heeft opgehoopt en altijd door je bloed stroomt. Omdat je nog steeds niet aan dat tweede leven begonnen bent waar je vier jaar geleden zo vurig over sprak, dat tweede leven dat er maar niet komt omdat je zo moe bent, elke dag, omdat je zoveel last hebt van dat lichaam dat nooit meer fit voelt, nooit meer vrij, omdat je de meeste dagen in barstende hoofdpijn doorbrengt, omdat de echo van de kanker meebeslist over alles wat beslist moet worden, omdat hij als een schaduw met je meegaat, elk moment en overal. Omdat die gemene, achterbakse rotkanker iets kapot heeft gemaakt dat voor altijd kapot lijkt.

Je wilt dankbaar zijn. Echt wel. Want dat moet toch? Dat moet. Hoe kun je in godsnaam niet heel, maar dan ook heel erg blij zijn wanneer je weet dat slechts weinigen deze variant van het monster overleven terwijl jij leeft? Terwijl je – meer zelfs – gewoon kankervrij bent? Terwijl bijna iedereen die je kende met diezelfde kanker al dood is? Je zag ze sterven, één voor één. Dan is het je plicht om te genieten, om dankbaar te zijn. Je plicht. En er zijn toch ook goede dingen gekomen in dat leven-na?

Er zijn toch ook slechte dingen verdwenen, uit dat leven-voor? Je hebt heel bewust ook dingen geschrapt en voor andere gekozen.

Je weet dat dat waar is. Je weet het zo goed. Maar wat je voelt, is verdriet. Het is angst. En heel soms een vlaag van boosheid. Het is weten dat je mensen nodig hebt die van je houden, waar je gewoon tegenaan kan leunen, met je hoofd in het holletje van hun oksel, hopend dat het monster jou daar niet vindt. Het is doorgaan, met vallen en opstaan. En hopen, hopen, hopen. Dat je op een dag achterom kijkt met dat hoofd van negentig, een landschap van rimpels, gevormd door het leven zelf. En dat je dan zegt: Het was de moeite, die 40 jaar erbij. Al die angst, die was nergens voor nodig. Waar heb ik mijn tijd aan verspild?

Wil je mijn nieuwe columns in je mailbox ontvangen?

Schrijf je dan hier gratis in. Zo krijg je een bericht bij het verschijnen van een nieuwe column.

Pin It on Pinterest