Het stormde hevig toen ik opstond. De regen sloeg tegen de gevel van ons huis, ik hoorde de wind beuken op de ramen. Het was nog donker. Ik stak de buitenspot aan om de schade op te meten en speurde in het rond. Op het gazon lagen onze tuinstoelen in een kunstige compositie, meters ver van de plek waar ze gisteren stonden. Maar daar hield de schade ook op. Boomkruinen zwiepten heen en weer toen ik de zware stoelen naar binnen sleepte, de wind rukte me bijna met zich mee, en zodra ik de deur achter me dicht trok en weer veilig binnen was, voelde ik die diepe dankbaarheid die ik elke keer ervaar bij stormweer als dit. Want dan denk ik aan de verhalen van mijn grootvader. De verhalen die hij ons keer op keer vertelde, met de rust en het flegma van een boeddhistische monnik. Terwijl hij zijn pap oplepelde en we de kachel hoorden knetteren, vertelde hij over zijn vlucht in die ene oorlog, zijn vlucht in die andere, over de ontberingen, de honger, de bijtende kou, zijn lieve moeder die veel te jong stierf. Ik luisterde en rilde, ik stelde het me allemaal voor, voelde de ellende in mijn eigen lijf, maar bij mijn volgende bezoek ging ik weer voor hem zitten en zei ik: ‘Pepe, vertel nog eens over de oorlog?’ Hij begon het verhaal van voor af aan, even onverstoord.
Mijn grootvader is al jaren dood. Maar zijn verhaal is altijd in me blijven hangen. En op zovele plekken op deze planeet vol overvloed herhaalt het zich nog elke dag.
Ik had vandaag liever de zon gezien. Ik mis haar in wintertijden intens. Maar vandaag is het de dankbaarheid die overheerst. Ik heb een huis waar geen wind doorheen kan beuken en waar het ook tijdens stortregens droog blijft. De waarde daarvan is niet te schatten.
(december 2020)
