Thuis was de zondagsmis verplichte kost. Protest haalde niets uit, dus ging ik als student ook in de examentijd braaf naar de kerk. Ik nam plaats op een stoel en zei in mijn hoofd de ingestudeerde cursussen op tot het verplichte uur voorbij was. Kwestie van mijn tijd niet te verdoen met het gewauwel van de pastoor die voor de elfendertigste keer herhaalde dat welgeteld één mens ooit teruggekeerd was uit de dood.

Jesus Christ himself, hallelujah.

Kort na zijn verrijzenis steeg de man zelfs ten hemel. Dat had ik toch graag gezien, dacht ik. En dat de symboliek van religieuze boeken meneer pastoor duidelijk ontglipte.

Toch kon één uitspraak me telkens weer vanuit mijn cursus algemene taalkunde of uit de Italiaanse letteren terugbrengen naar het moment. Dat was wanneer de brave man zei dat we allen uit stof zijn geboren en tot stof zullen vergaan. Want dat was geen symboliek. Deze waarheid kon niemand ontkennen.

Fascinerend vond ik dat, te beseffen dat dit hele lijf van me, inclusief die gepijnigde hersenen die ik vol kennis en onzin moest proppen, uit stofdeeltjes opgetrokken was, dat het ooit uit elkaar zou vallen en dan iets totaal anders zou gaan doen. Ik fantaseerde dat enkele atomen van me een volgend leven kregen in de ogen van een giraf die de savanne overschouwde of in de bast van een prachtige baobab. En even vond ik de dood net iets minder eng.

Ik keek naar mijn hand, naar de vijf vingers, probeerde erdoorheen te kijken. En ik dacht aan die bevreemdende realiteit, dat elk atoom in mijn lichaam voortkwam uit een supernova. Met wat fantasie zag ik het zelfs voor me, hoe miljarden jaren geleden een ster ontplofte, hoe die in gruzelementen de ruimte in werd geslingerd en ik daar nu een stukje van was. En ook dit besef drong tot me door: Wie zijn kinderen vertelt dat hun gestorven oma nu een sterretje is aan de hemel, die vertelt dus geen nonsens. Hij draait alleen de volgorde om. Of kijkt al wat verder in de toekomst.

Troostend is ze, deze gedachte dat niemand verdwijnt in het niets. Al die mensen die ooit uit mijn leven zijn verdwenen. Ergens zijn ze er nog. Misschien zit een deeltje van mijn grootmoeder wel in de roos die ik deze ochtend op de tafel heb gezet of zweeft het in de lucht en adem ik haar op dit moment gewoon in.

Maar ook zonder atomen leeft ze verder. En dat doet ze op een plek van waaruit ze nooit meer ontsnapt, een plek waar sterrenstof geen rol lijkt te spelen. Diep in mijn hart, stevig ingenesteld in herinneringen en in een onuitputtelijk vat van liefde, zit ze altijd.

En daarom is 1 november een dag waarop de liefde het wint van de dood. Want zolang iemand verder leeft in het hart van een ander is hij niet verdwenen. Hij is zelfs dichtbij.

Vandaag zijn alle doden die ik lief heb gehad weer even springlevend. Ik hoef alleen mijn ogen te sluiten en daar zijn ze terug. Ik zie mijn grootmoeder die met een stapel pannenkoeken op me toestapt, mijn grootvader die rustig zijn wedervaren in de twee oorlogen verhaalt en zijn pap verder opslurpt, mijn andere grootmoeder die huilt bij de geboorte van mijn oudste zoon en naar mijn hand grijpt, de oom die in alle rust naar me luistert en zijn woorden goed weegt voor hij antwoordt, de wervelende collega die elke ochtend als een zon de hele school verlicht, de klasgenoot die smakelijk lacht voor hij veel te vroeg aan kanker zal sterven, …

Vandaag leven ze weer allemaal. Want ergens binnenin heb ik ze nooit losgelaten. Ze zitten veilig in mijn hart. En daar zullen ze blijven.

Ik heb geen kerkhof nodig om aan hen te denken, geen grafsteen, geen materieel bewijs. Ze zitten waar ik er altijd bij kan, gewoon hier binnenin.

Tot ik er op een dag zelf niet meer zal zijn. En ik hopelijk op mijn beurt nog een tijd verder zal leven in het hart van enkele mensen. Een ketting zonder eind.

We zijn sterrenstof. Dat is zeker. Maar we zijn nog zoveel meer. En daarom is 1 november voor mij de dag van de liefde. Dat ene dat ons zo mooi met elkaar verbindt, in die eeuwigdurende cyclus van leven en dood en vooral weer leven.

(november 2017)

Pin It on Pinterest