Ineens was het moment daar. Ook de jongste stond te trappelen met zijn valies. Klaar voor de vrijheid.

Het voelde als een stomp in mijn maag, als iets dat ik altijd had voelen aankomen, maar nooit had willen geloven. Vanaf nu zou geen van mijn drie kinderen nog thuis zijn op maandag, op vrijdag en op alle dagen daartussenin. Met zijn tweeën zouden we achterblijven in dit huis. Net als toen, zo lang geleden, toen we geen vijftig waren, maar vijfentwintig.

‘Heb je een tandenborstel mee?’

‘Zeg, mama, ik ben toch geen kind meer?’

De krop in mijn keel groeide. Ik besefte dat de aanloop naar dit moment al 23 jaar geleden was genomen, toen mijn oudste zoon was geboren en ik hem in mijn armen had gehouden met de belofte hem nooit meer los te laten.

Nooit meer. Alsof ik die keuze zelf kon maken.

‘Zorg goed voor jezelf, hé.’

‘Mama!’

Ik ging zitten, hield mijn handen voor mijn ogen. Maar de schokkende schouders verrieden wat ik trachtte te verbergen.

‘We zijn toch niet dood?’ zei een van de kinderen.

Ik hoorde een zucht.

‘We komen in het weekend terug naar huis.’

Het weekend. Ik huilde nog harder. Het weekend was een eeuwigheid ver weg. En zou elke keer veel te kort zijn.

Ik bedacht hoe verraderlijk snel de tijd ons ontglipt, met al haar unieke momenten, en een vloed aan gedachten en emoties kwam in me op.

Hoe vaak had ik geen besef gehad van wat vanzelfsprekend had geleken en dat eigenlijk niet was? Hoeveel moois had ik zomaar aan me voorbij laten gaan? Had ik niet gefaald als moeder? Had ik niet heel veel dingen verkeerd gedaan? Te weinig gedaan? Hoeveel keer had ik een glimlach van mijn kinderen gemist terwijl ik druk bezig was met koken of opruimen? Hoe vaak had ik hen gevraagd te zwijgen omdat ik aan het verbeteren was of aan het schrijven, omdat ik dingen deed die zoveel minder belang hadden dan zij?

Moest ik niet elke keer opgehouden zijn, met volle aandacht geluisterd hebben naar hun verhaal, ook al was dat om de vijf minuten? Moest ik hun melodieuze kinderstemmetjes niet ingeademd hebben als zuurstof, de klanken in me hebben laten resoneren zodat ik ze nu nog kon horen? Hoeveel mooie momenten waren me ontsnapt omdat ik niet bewust aanwezig was geweest in het moment?

Hoe konden de waggelende pamper-dragende eenjarigen in een flits zo groot en sterk zijn?

Ik keek hen aan. Twee prachtige zonen die me al jaren boven het hoofd zijn gegroeid. Een knappe dochter ertussenin.

Gisteren nog bracht ik hen naar de kleuterschool, hun eerste boekentasje op de rug, met een prent van Samson. Vandaag ging ook de jongste naar de universiteit, zijn dromen achterna.

Ze zullen met zijn drietjes een nieuw huishouden vormen, daar in het verre Gent, aan het andere eind van de wereld. Ze zullen samen koken en eten, ze zullen roepen of de ander nog lang op het toilet zit en of de badkamer gauw vrij is.

Ik zal er niets van merken, in dit huis dat slechts op vrijdagavond weer gevuld zal worden met jonge stemmen en vuile was. Ik zal niet kunnen vragen of ze al fruit gegeten hebben die dag, of ze niet te laat gaan slapen en voorzichtig zijn op hun fiets.

Hun leven is niet meer vervlochten met dat van mij.

Ik weet dat het leven vloeit en stroomt, dat niets hetzelfde blijft en dat elk verzet daartegen zinloos is. Ik weet dat we ons moeten laten meedrijven en aanvaarden wat niet te veranderen is. Daarom koos ik voor de naam ‘Flow with Life’ toen ik mijn droom eindelijk waar wilde maken en vertel ik ook anderen dat dit de enige optie is. Maar wat is dat drijven voor mezelf vaak moeilijk.

‘Hebben jullie een jas mee?’

‘Een stuk of tien.’

Ze zwaaiden nog even. De baby’s die ik nooit meer los zou laten. Ze zwaaiden en stapten op de trein.

(september 2021)

Pin It on Pinterest