Mijn dochter bestuurde de wagen, ik was de dj van dienst. Lied na lied galmde in mijn schedel. De muziek moest me afleiden van de angst, die zich vorig jaar als een veel te luide gezel stevig in me had genesteld, en die bijna niet af te leiden viel.

Na de chemo was de angstgezel nog een pak luidruchtiger geworden dan ervoor. Pas toen moest mijn lichaam de klus in zijn eentje verder klaren, moest het voorkomen dat het monster terugkwam. Want als het terugkwam, was alles voorbij. Bij eierstokkanker kan een herval niet meer worden genezen. One chance. Een gevoel als een kloppende hamer.

We waren onderweg naar Leuven. Daar zou het verdict ook deze keer weer vallen, zoals het dat nu elke drie maand deed. Sinds de herfst leef ik een leven in schijfjes, afgebakend door data met bloedanalyses die vertellen of ik verder mag leven of niet.

Er was file. We stonden stil. De muziek speelde verder, maar ik hoorde haar niet meer.

Eén keer had de angstgezel voor langere tijd gezwegen. Tijdens mijn maand in de jungle. Nog tien volle dagen na mijn thuiskomst bleef hij weg, straalde mijn hart zoveel liefde uit dat hij zich niet in de buurt durfde te wagen. Daarna was hij als een sluipmoordenaar weer binnengedrongen in mijn geest. Steeds opnieuw had hij me verteld dat een vroege dood een optie bleef. Hij had me gevraagd of ik dat echt niet was vergeten en of ik wel hard genoeg mijn best deed, of ik wel genoeg rust creëerde, of ik niet beter drie keer per dag groenten zou eten in plaats van twee en of een kwartier ademhalingsoefeningen wel voldoende kon zijn.

Telkens weer ging ik in gevechtshouding voor de angstgezel staan, antwoordde ik dat ik genoeg inspanningen deed en dat hij moest zwijgen. Maar even snel sloeg de twijfel weer toe. Geen enkel medicijn kon mijn lichaam nog ondersteunen. Ik was het die het moest waarmaken. Ik alleen. Falen was geen optie. Falen betekende sterven. Een verantwoordelijkheid die als duizend kilo op mijn schouders woog, ook al deelde ik die verantwoordelijkheid met het lot.

De gutsende regen hing als een mist over de snelweg, de files leken eindeloos, de parkeergarage van het ziekenhuis stond zo vol dat we nog een half uur toertjes moesten rijden, maar dan was het moment daar. De professor zou me vertellen of er een nieuw schijfje van drie maanden volgde of niet.

Leven of dood. Ze lagen één zin uit elkaar.

Met bonzend hart stapte ik box 11 binnen.

Een uur later reden we terug. De files waren nog langer. Telkens er eentje opgelost was, kwam er een volgende. Urenlang schoven we aan. Maar het kon me niets meer schelen.

Alles was oké, had de professor gezegd. Niets aan de hand.

Het was een ja. Ik mocht opnieuw drie maanden leven. De helft van de zomer was al binnen bereik. Ik had mijn dochter plat geknuffeld.

Bumper tegen bumper schoven we vooruit op de ring rond Brussel. Een vertrouwd gevoel kwam langzaam op in mijn borst. Versterkte zich steeds meer. Ik herkende het meteen. Het was de angstgezel. Hij klopte nu al weer aan. Ik wilde hem negeren, maar hoorde toch zijn stem.

Of ik wel besefte dat ik deze nieuwe kans niet mocht verspelen, vroeg hij. Want was ik niet heel erg angstig geweest de laatste weken? Was het dan niet een groot geluk dat de kanker nog niet teruggekeerd was? En of ik wist dat ik nu eindelijk eens moest stoppen met bang zijn, dat angst uiterst toxisch is voor het lijf? Of ik dat eigenlijk wel zou kunnen, dat stoppen met het bang zijn om bang te zijn?

De hele nacht praatte hij verder, schreeuwde hij de woorden die ik niet wilde horen. Met wijd open ogen keek ik naar het plafond. Niet bang zijn, zei ik duizend keer na elkaar. Niet bang zijn. Alles is goed. Het zweet brak me uit, mijn hart bonsde, ik stond op en dwaalde door het huis.

Het was een ja geweest voor de volgende maanden. Minder dan twaalf uur daarvoor. Waarom voelde ik geen opluchting? Kon ik niet blij zijn? Het was verdorie een ja.

En toen begreep ik het. De professor had helemaal geen ja uitgesproken. Ze had een nee uitgedrukt. Een nee tegen een gewisse dood. De ja, die moest ik zelf formuleren. Ik was het die een duidelijke ja moest zeggen. Maar dan aan het leven. Het was deze ja die ik in de jungle had uitgesproken, een maand lang, en die de dood daar op afstand had gehouden. Het was een ja geweest aan al wat mooi is, aan al wat levend zijn wil zeggen. Het was een ja geweest die gestuurd werd door liefde voor alles en iedereen rondom mij. Hoe was ik deze ja zo snel weer verloren?

Ik ging zitten. Stelde een plan op, noteerde zinnen die ik moest inprenten in mijn geest, waarmee ik de angstgezel moest kunnen verjagen.

“Niet handelen vanuit een angst voor de dood.”

“Wel handelen vanuit een liefde voor het leven.”

Het stond op papier. De eerste stap was gezet. Nu volgde het oefenen.

Elke dag. Elk moment. Bij elke akelige gedachte. Trainen en blijven trainen, zolang als dat moest.

Nee tegen de dood of ja tegen het leven. Het lijkt een nuance. Maar het is een wereld van verschil.

Toolbox voor een zenuwstelsel in balans

Voel je je voortdurend overweldigd? Heb je last van stress, misschien ook wel van angsten?

 

En ervaar je daardoor ook fysieke klachten?

 

In mijn 15 pagina's tellende e-book geef ik jou een complete toolbox met een waaier aan oefeningen die jou in minder dan 30 minuten elke dag opnieuw toestaan om je zenuwstelsel in balans te brengen en eindelijk weer rust te gaan ervaren in lichaam en geest.

Heel leuk dat je mijn e-book wilt ontvangen. Je krijgt het zo meteen in een mail. Check zeker ook je spam.

Pin It on Pinterest