Als kind geloofde ik in wonderen. Ik geloofde dat er monsters huisden in meren, dat je met doden kon praten als je maar genoeg van hen had gehouden en dat Jezus op blote voeten over het water had gerend. Wanneer mijn vader uit de auto stapte en de motor nog draaide, zat ik trillend op de achterbank, wachtend tot de wagen vanzelf verder zou rijden. En jarenlang vroeg ik me af hoe onze auto wist wanneer we naar links of rechts zouden draaien en dan de juiste richtingaanwijzers deed knipperen. Wat was ook dat een wonder.
Ik ben decennia ouder. Ik geloof niet meer in wonderen. Ik geloof niet in onvindbare monsters, sprekende doden of Jezussen die niet hoeven te zwemmen. Maar op heldere en mooie dagen rij ik ’s ochtends langs de rivier. De zon hijst zich uit het dal, rechts van mij. Ze schittert. En ik denk: Heel hard fietsen. Dan haal ik haar in.
Zeven kilometer verder ben ik op mijn bestemming. De zon is iets hoger geklommen. Ze hangt aan mijn rechterkant. Nog altijd.
Morgen probeer ik het opnieuw. Morgen is er weer een kans op een wonder.
(oktober 2019)
