Ik werd de wereld in geperst op een maandag.
Mijn moeder lachte.
Ik huilde.
Ze vertelde me dat ik bij haar hoorde voor altijd, dat leven liefde was. Buiten heerste de winterkou. In haar armen voelde het warm.
De baby kroop, stapte, liep school, verdwaalde er. Ik vroeg me af of er geen andere wereld was, waar elk mens lief was voor elk mens, waar kinderen geen giftige woorden uitstootten en omheiningen optrokken waar ik niet doorheen kon.
Ik huilde om wie ik was en om wie ik niet was.
Ik laafde me aan de warmte van het nest, de moedervleugels die op me wachtten. De vader die alles kon. De speelbroer, de babyzus.
Het kind werd twintig. Het kind was groot. Het kind bleef in mij. Voor me lag de eeuwigheid, een oneindige veelheid van uren en dagen waarin alles nog mogelijk leek.
Het meisje werd dertig. Het voelde als binnenstappen in de wereld van de volwassenheid en nooit meer terug kunnen keren, als dingen weten die ik daarvoor niet had geweten. Zoals hoe kwetsbaar een kind een vrouw maakt.
De vrouw werd veertig. Moeder van drie. Iemand zei ‘je bent nog het meisje van zeven.’ Ik wist dat het waar was. Oud verdriet bleef zwaar drukken op mijn schouders. Ik probeerde de rugzak te negeren. Hij werd alleen nog zwaarder.
Dankbaar keek ik naar de zorgeloosheid van de kinderen die ik het leven geschonken had. Hun levenslust, hun kracht. Dankbaar keek ik naar wie mij het leven had geschonken. En er altijd voor me waren.
‘Nel mezzo del cammin’ …’ Ik had Dante bijgebeend. Was dit het midden van het leven? Of was ik al dichter bij het eind?
Leven duurde geen eeuwigheid. Tijd was een vloeibaar iets. Het ontglipte me nog voor ik het kon grijpen.
Ik ben vijftig. Mijn lijf vertelt me dat jeugdigheid onzichtbaar moet zijn. Mijn geest zegt dat ik haar vast kan houden voor altijd. Dat altijd niet altijd is. Dat het een grens is die elke tel dichterbij komt.
De waarheid bestaat niet. Ze kronkelt en plooit. Goed is slechts de andere kant van kwaad. Ze raken elkaar, vloeien in elkaar over. Steeds meer ga ik op zoek naar het midden.
Ik begrijp wat ik daarvoor niet begreep. Dat zoeken naar geluk geen vinden kent. Dat leven blij is, dan lijden, dan weer blij. Dat ook pijn omarmd moet worden.
En dat voorbij voorbij is. Soms trekt het toch weer aan mijn hand, buig ik door. Ik ruk me los en kijk weer vooruit.
Een halve eeuw leven. Een kwart eeuw getrouwd. Tijd is niet oneindig. Niet vloeibaar. Het is een gas. Het ontsnapt in alle windrichtingen, het ontgaat me terwijl ik denk en doe, terwijl ik onbewust ben en mezelf tot bewustzijn terugbreng. Maar vooral is tijd kostbaar. Zoals de dromen die ik nog in me draag. Als vlinders in mijn hart. Klaar om uit te vliegen naar oorden die ik nog niet ken. (22 februari 2021, 50 jaar)
