Week zeven in bed, in dit huis dat mijn wereld al evenveel weken begrenst. Soms voelt het alsof moed iets is voor helden. Vandaag ben ik geen held.

De zomer is op hol geslagen, maar vooral gaat hij aan me voorbij. Ook het laatste stukje zomer zal me ontglippen. Het stukje waarin ik mezelf weer vrolijk zag rondhuppelen op bloemenvelden, waarin ik me alle zomerdingen zag doen die ik daarvoor niet had kunnen doen.

Huppelen is een lange-termijn-challenge; zomerdingen zijn voor de zomer hierna.

Steeds sneller glijden de dagen van me weg. Vastgrijpen heeft geen zin. Huilen ook niet. Ik probeer een stoïcijn te worden, een zenboeddhist. Adem vier tellen in, zes tellen uit. De liggende yoga-oefeningen zijn haalbaar. Even is er blijheid, dankbaarheid. Mijn gemoed is een jojo.

“Alles komt goed,” schrijft iemand me. “Denk gewoon aan hoeveel erger het kon geweest zijn. Niet één verwoeste voet, maar twee. Of een eeuwige verlamming erbovenop. Eigenlijk heb je geluk.”

Ook goedbedoelde woorden kunnen klinken als venijn.

Op Facebook klaagt iemand dat het virus haar vrijheid beknot. Haar woorden klinken vreemd wanneer ik denk aan de foto’s die deze vrouw onlangs postte van haar prachtreis. Ze symboliseerden voor mij oneindige vrijheid.

Alles is relatief, bedenk ik.

Zelfs grenzen zijn relatief. Ze bestaan vooral in ons hoofd, daar waar we onze eigen maatstaf zijn.

(augustus 2020)

Pin It on Pinterest