Daar is ze weer, de week tegen het pesten.
Elk jaar voelt ze als een herdenkingsmoment, als een kluwen van herinneringen waar ik niet aan herinnerd hoef te worden, omdat ze gewoon de basis vormen van wie ik ben.
Hoe zou ik de grond onder mijn voeten kunnen vergeten terwijl ik er al die jaren op heb gestaan, terwijl ik haar vibes heb voelen trillen door mijn hele lijf en ze in elk aspect van mijn leven zijn doorgedrongen, decennia en decennia lang?
‘Ga je gang, ik ben niet bang, want ik heb een huid van diamant,’ zingt Camille in het themalied dit jaar.
Maar hoe kan een kind van drie niet bang zijn als het met niemand mag spelen? Als het ook op zijn tiende nog uitgesloten wordt, vernederd, omsingeld en geslagen? Als het uitgelachen wordt, gevraagd wordt wat verder te gaan staan om de anderen niet met haar vreemdheid te besmetten?
Hoe zou het meisje van veertien niet bang kunnen zijn als haar muts telkens weer van haar hoofd wordt gerukt en onder luid gelach uit het zicht verdwijnt, als haar jas onvindbaar blijkt na schooltijd, als haar schooltas door het raam wordt gegooid, haar fietsbanden lek worden geprikt, als een bende jongens haar ineenslaat in de gang?
Hoe zou het meisje vertrouwen kunnen opbouwen als ook haar leraars mee lachen met de klas, als zij zelf spitsvondigheden verzinnen om haar de grond in te boren, als de wiskundeleraar tegen haar roept dat ze niet naar buiten moet staren omdat ze toch maar blind is?
Hoe zou een meisje van veertien zich gesteund kunnen weten als al haar kleren tijdens de turnles onder de douche worden gelegd? Als de sportleraar haar daarna naar de directeur stuurt voor een oplossing en als die man diep zucht en zegt dat zij het weer is, alweer zij, dat ze altijd al voor problemen heeft gezorgd en nu maar in de winterkou naar huis moet fietsen in haar turnkledij?
Nee, ik had geen huid van diamant. Alleen mijn spieren voelden zo. Hard en stijf en onverzettelijk. Ook dertig jaar later. Op mijn vijftigste zit mijn hele lijf nog steeds vol ongeslepen diamanten, vol harde doffe knobbels van pijn. Zelfs nu is de angst voor groepen springlevend, de angst voor woorden die zo’n groep op me af kan vuren als een geweer. Pang pang. Jij niet. Jij hoort er niet bij. Pang.
Iets in me lijkt dood voor altijd.
Het is de grootste drijfveer voor wat ik vorig jaar besliste te gaan doen. Ik zou zelf mensen helpen. Ik zou anderen de weg wijzen uit de angst en de pijn. Mijn eigen verleden kon dienen als leidraad, als kracht, als verhaal der verhalen.
Ik smeet me. Deed vier opleidingen ineen. Ik smeet me met zoveel kracht dat ik enkele keren terugbotste, duizelig om me heen keek en weer verder ging. Omdat de heftigheid van wat in mij leefde zich een uitweg zocht en het voelde alsof ik geen tijd te verliezen had. Snel snel. Anderen helpen. Niet toestaan dat het ook voor hen veertig jaar of langer moest duren.
Ik smeet me, ongeremd.
Ik ontvang mensen in mijn kamertje waar ik alle liefde die ik in me heb op hen afvuur. Pang pang. Ik leer hen al wat ik zelf nooit heb geleerd. En ik weet dat ik zonder mijn eigen verhaal en zonder alle pijn die eraan vasthangt nooit zoveel moois zou kunnen geven.
Ergens zat de diamant altijd in me. Nooit eerder had hij geschitterd. Maar ergens zat hij er wel.
De knobbels in me manifesteren zich nog steeds. Ik ontwar ze in wat ik doe, elke keer wat meer. Ik zal wellicht nooit meer houden van groepen, van drukte en van lawaai. Maar ik hou van mensen, in al hun zachtheid en kwetsbaarheid. Bij hen schittert mijn diamant als duizenden sterren.
(februari 2022)
