Het monster

Het was zondagochtend. De misselijkheid was ’s nachts opgekomen. Elk half uur was ik wakker geworden, zwetend en gloeiend alsof iemand mijn bed in de machinekamer van een stoomschip had gezet. Zo ging het elke nacht sinds de operatie. Alleen was het sinds enkele dagen vanuit een kale schedel dat de stoom naar het plafond opsteeg.

Telkens ik mijn hoofd aanraakte, ging er een schok door me heen. Wanneer ik per ongeluk zonder mutsje in de spiegel keek, leek het alsof een lijk me aanstaarde en dacht ik dat ik al dood was. Het was slechts haar, maar het voelde als een gigantisch verlies, een essentieel deel van mijn identiteit dat verdwenen was en zorgde dat ik mezelf niet meer herkende.

Naast me sliep mijn man onverstoord verder. Ook zijn hoofd was kaal. Maar dat had in de lijn der natuur gelegen.

Mijn benen voelden onzeker toen ik de trap afdaalde. Slap en onbetrouwbaar. De dag ervoor waren we in alle vroegte een toertje gaan fietsen in de Westhoek. Kwestie van de sterke zon voor te zijn, die ik moest mijden. Geen zon op je huid, had de oncoloog gezegd. En veel bewegen. Maar hoe verenig je die doelen op de langste en zonnigste dagen van het jaar?

Ik had genoten van het tochtje. Even had het leven een heel klein beetje normaal geleken, ook al lag ik na een uur met mijn tong over het stuur van mijn elektrische fiets alsof ik een bergrit van de Tour de France afgewerkt had.

Maar deze ochtend had ik niet kunnen fietsen als ik dat gewild had. Op dit moment voelde ik alleen maar verlies en slapte, kon ik alleen denken aan al wat ik kwijt was, wat deze smerige ziekte me afgepakt had. En dat was zo ongeveer alles wat me lief was. Ik wilde niet alleen mijn haar terug. Ik wilde mijn leven terug, ik wilde de illusie terug dat ik net iets meer dan de helft van mijn levensweg bewandeld had, dat minstens dertig jaren van onbeperkte mogelijkheden nog voor me lagen. Ik wilde de zorgeloosheid terug die deze valse zekerheid met zich meebracht. Ik wilde moeder zijn voor mijn kinderen en geloven dat ik voor altijd over hen zou kunnen waken. Ik wilde me in mijn tuinkantoor installeren en er mensen helpen die zochten naar rust, hen tips geven, samen met hen ademen en mediteren en na enkele sessies horen hoeveel beter ze zich al voelden. Ik wilde de keukenkast induiken waar tien soorten chocolade lagen en ze een voor een proeven, een groot pak friet bestellen met tartaar en daarna een taartje uitkiezen bij de bakker. Geen van die dingen durfde ik nog in mijn mond te stoppen na alle boeken over kanker en voeding. Geen suiker, geen snelle koolhydraten, geen zuivel, geen al-wat-lekker-was-en-me-troost-had-kunnen-bieden.

Het was stil in huis. Ik ging zitten aan tafel. Ik moest focussen op wat er wel nog was, op alle mooie dingen die waren gebleven. Dankbaarheid was het tegengif, het enige juiste antwoord. Dat had ik zelf aan zovele mensen geleerd.

Maar er leek geen plek meer voor tegengif. Het gif zelf had te veel kracht. In mijn hoofd klonk steeds opnieuw hetzelfde woord. Kanker. Kanker. Kanker. Het woord dat naadloos overging in dood. Hoe kon ik niet bang zijn?

Ik probeerde te voelen wat ik voelde in mijn lijf. Ik wilde weten of de chemo zijn werk deed, of hij de zieke cellen klein kreeg. Maar ik voelde niets. Ik voelde alleen een allesoverheersende angst. Er zat een monster in mijn lijf dat me wilde doden. Het had al wat een mens vanzelfsprekend vindt zolang het leven zijn gangetje gaat tot niet-vanzelfsprekend gemaakt. Het monster had alle stukjes van mijn leven met één zwaaibeweging van tafel geveegd, vermorzeld, verpletterd en vermalen.

Ik huilde de hele dag door. Ik huilde om al wat ik verloren was en om al wat ik misschien nooit meer terug zou vinden. Ik huilde om het verloren vertrouwen in mijn lijf, om het geloof in een goede afloop dat ineens niet meer leek te bestaan.

Ik huilde de dag erna.

En de dag erna, toen een nieuw infuus met chemo via de katheter in mijn aderen liep, eerst langs mijn hart passeerde, de enige plek waar kankercellen zich niet nestelen omdat het er te warm is, omdat liefde niet verenigbaar is met monsters. Ik huilde toen ik tijdens dat infuus met ijshandschoenen en ijssokken op bed lag als een gekruisigde en ik de tranen niet van mijn wangen kon vegen.

‘Hé, sterke madame,’ begon een vriendin haar bericht aan me.

Ik vroeg me af tegen wie ze het had, waar mijn sterkte was gebleven en of ik die ooit wel had gehad.

Ik wist dat ik ernaar op zoek moest gaan. Dat ik moest zoeken tot ik ze terugvond. Dat ik ze zo snel mogelijk moest vinden.

Kanker is een monster met negen koppen. Het is de natuur op zijn wreedst. Ik moet blijven geloven dat ik sterker ben dan het monster, dat ik kop na kop eraf zal slaan. Ik moet mijn eeuwige drang naar zachtheid even aan de kant schuiven. En dan ga ik het als een razende met een grote hamer te lijf. Klop, bons, bam. Hier een klop. Daar nog een. En ook nog deze.

In your face.

Ik moet het monster verpletteren zoals het mij verpletterd heeft. Een andere optie is er niet.

Ik kan toch nog niet doodgaan?

Voor doodgaan is het veel te vroeg.

BLOG CATEGORIEËN

RECENTE BLOGS

De gremlins

De gremlins

De laatste bloedtransfusie had mijn lijf nog één chemo verder gesleurd. Toen lukte ook de truc met...

Lees meer

2 Reacties

  1. liesbet

    Voor doodgaan is het veel te vroeg
    Je moet een gevecht leveren dat slechts weinig mensen in de schoot geworpen krijgen. Een groot, allesomvattend gevecht. Ook al voelt het misschien niet zo, jij kan het. Jij hebt de wapens die ervoor nodig zijn. Het zal een lange strijd zijn, maar het zal je lukken. We denken allemaal veel aan jou. Misschien helpt die energie je ook. We wensen je zoveel moed en kracht in de maanden die volgen!

    Antwoord
    • Eveline

      Dank je wel, Liesbet. Het helpt zeker als mensen mee supporteren, mee hopen en steun bieden.

      Antwoord

Een reactie versturen

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Pin It on Pinterest

© Flying Queen