Het doel

Het voelde als een sneltrein die in volle vaart van de sporen werd geplukt. Een hand hief de trein op, de wielen bleven nog even draaien en ik keek naar beneden. Door een waas zag ik een wereld die niets meer met mij had te maken. Die ene beweging had me losgerukt van alle weefsels waarin mijn leven ingebed lag.

“Een doorsnede van 9 centimeter,” zei de dokter, terwijl hij het beeld nog iets beter bestudeerde. “En het heeft volgens mij niets goeds in de zin.”

Het was op dat exacte moment dat ik van de sporen werd geplukt, al besefte ik nog niet meteen de volle draagwijdte van de woorden die ik net had gehoord.

Een jaar lang had ik alleen maar gestudeerd en gewerkt. Wie op zijn 50e zijn grote droom nog wil realiseren, moet niet dralen. Zelfs op reis had ik elke dag uren zitten werken. Ik wilde mensen helpen, zo veel mogelijk, zo goed mogelijk. Ik wilde dat offline en online kunnen doen, met groepen en met individuen, met begeleide trainingen en met online programma’s die mensen op eigen tempo konden afwerken. Ik wilde het allemaal. Maar vooral wilde ik alle kennis en ervaring die ik zelf had verzameld bundelen en delen, het liefst met de hele wereld. Ik wilde mensen leren hoe ze zich beter konden voelen, hoe ze hun hersenen konden trainen, zodat ze niet net als ik dertig jaar lang op zoek moesten gaan naar een beter gevoel.

Halverwege maart werd ik besmet met corona. Ik begon hevig te bloeden, steeds meer. Elke hoestbui veroorzaakte een vloed. Tot ik op de vierde dag wakker werd in zo’n plas bloed dat ik me afvroeg hoeveel er nog in mijn lijf kon zitten. Mijn man bracht me naar de spoedafdeling. Ik kreeg een infuus en werd zonder onderzoek naar huis teruggestuurd. De gynaecoloog wilde geen contact met een besmette.

Iets in me was veranderd. De dagen voelden zwaar. Zonder aanwijsbare oorzaak viel ik af, elke dag een halve kilo. Ik was doodmoe, het bloeden hield aan, het lukte niet meer om alles te doen wat ik wilde doen, de frustraties en onmacht namen toe.

Eerst duwde ik gewoon iets harder op het pedaal om aan de slag te kunnen blijven, maar na vier dagen besliste ik dat het even genoeg was geweest.

“Groot nieuws,” zei ik tijdens het avondeten. “Vanaf nu ga ik weer een beetje leven. Ik wil niet meer dwars door jullie heen kijken omdat ik alleen nog maar denk aan werken.” Ik nam mijn dochter vast. “Wij tweetjes gaan nog eens shoppen,” zei ik.

Ik glunderde van trots om de beslissing die ik had genomen en die ik al veel langer had moeten nemen. Wie alleen nog werkt, vergeet te leven.

Ergens was er iets mis in mijn lichaam, maar dat zou wel opgelost worden.

Twee dagen later lag ik neer, sprong mijn blik van de eierstok met de pompelmoes naar het gefronste gezicht van de dokter en weer terug, en wist ik dat ik te laat had beslist wat ik beslist had.

Er volgden extra onderzoeken, scans, bloedafnames, nog meer aanwijzingen dat het ding slechte bedoelingen had.

Na een nieuwe consultatie waarin het meest angstaanjagende k-woord uit het woordenboek viel, stortte ik in.

De tranen bleven maar stromen. Heel mijn lijf vulde zich met spijt. Hoe had ik mezelf op die manier kunnen uitputten? Was ik niet op zovele vlakken te kort geschoten tegenover de mensen waar ik van hield? Waarom had ik mezelf leeggegeven aan anderen en mijn eigen welzijn daarbij over het hoofd gezien?

Er volgden onwerkelijke dagen. In gedachten nam ik afscheid van al wat me lief was. Vanaf de keukentafel keek ik naar mijn gloednieuwe tuinkamer. Pas drie weken geleden had ik ze ingewijd. Ik was trots geweest en gelukkig. Elke dag was ik er met een diep gevoel van dankbaarheid aan mijn tafeltje gaan zitten, omgeven door licht dat gul van alle zijden naar binnen stroomde. Ik was kwaad op de wereld, op het lot, op alle mensen die zomaar gezond mochten zijn en niet eens beseften wat een geschenk dat was. En ik huilde, huilde en huilde.

In het UZ Leuven volgden nog meer onderzoeken.

De professor gaf rustig uitleg, hij overliep de mogelijke scenario’s.

We reden naar huis, mijn man en ik. In stilte. Wetend dat onze gedachten hetzelfde patroon volgden, dezelfde dingen dachten.

Links en rechts van ons reden veel andere mannen en vrouwen naar huis. Voor de meesten van hen was dit een doodgewone dag.

Het voelde alsof doodgewone dagen er voor mij nooit meer zouden zijn.

Er stond een ruiker bloemen op tafel. De kinderen. Ik vroeg me af wat ik hen aandeed, hoe groot ze al waren en tegelijk nog zo klein, net als elk kind dat zijn moeder voor altijd bij zich wil houden. We pakten elkaar stevig vast en ik snoof hun geuren op alsof ik ze nooit meer zou ruiken.

Er kwam een nieuwe dag. Ik was dankbaar. De zon scheen. Mijn benen voelden slap. Ze voelden elke ochtend slapper. Mijn hoofd tolde. Het tolde elke dag wat meer.

Ik wist dat ik geen andere keuze had dan alle verzet te laten varen, dat ik dat nu meteen moest doen, dat ik vrede moest nemen met wat was. Ik ging mediteren in mijn tuinkamer. De zuurstof stroomde in en uit mijn lijf. Terwijl er een rust over me kwam, voelde ik dat ik nog steeds mezelf was, dat ik alleen met een andere blik naar die ik moest kijken. Ik besefte dat ik nog leefde, dat niets verloren was zolang het niet was verloren.

Ik stuurde liefde naar mezelf. En hoop. Riep het beeld op van een toekomst waarin alles weer goed was, waarin deze beproeving achter me lag. Ik zag een tweede kans, een stralende ik, een leven waarin ik alles beter zou doen. En ik besliste dat deze toekomst er moest en zou komen. Dat alle kracht die mijn geest nog in zich had zich zou richten op dat ene doel. Op het leven. Het doel dat alle andere doelen in zich houdt.

BLOG CATEGORIEËN

RECENTE BLOGS

De mantra

De mantra

Meer dan een maand ging voorbij. Ik voel me afgesneden van de wereld, van alle dromen en plannen...

Lees meer

0 reacties

Een reactie versturen

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Pin It on Pinterest

© Flying Queen