Dragende handen

Voor de derde keer die dag ging de bel. Een onbekende stopte me een gigantische ruiker bloemen in handen. Ik keek op het kaartje dat aan een stengel vasthing. Er stonden hartverwarmende woorden op van een stel dat ik niet eens zo goed kende.

Voor de zoveelste keer werd ik verrast. Zogenaamde vrienden hadden nog niets van zich laten horen. Maar een veelvoud aan mensen die ik vaag kende, stuurde me liefde in al haar vormen.

Ik ging naar binnen. Er was geen enkele vaas meer. Het hele huis stond vol potten en bokalen met vrolijke, heerlijk geurende boeketten in frisse kleurtjes. Op de wandkast leunden tientallen kaartjes tegen elkaar aan, met opschriften die het hadden over beterschap en moed. In de koelkast zat nog een deel van de cake die een cursiste van mijn ruw afgebroken mindfulnesstraining voor me gebakken had, en er stroomden zoveel berichtjes binnen dat ik geen idee meer had wanneer ik ze allemaal nog zou beantwoorden.

Ik zette de ruiker in een ijsemmer die voor vaas mocht spelen en bekeek mijn interieur. Elk boeket en elk kaartje straalde liefde uit. Elke attentie vertelde me dat mensen van me hielden. Ze verwarmden mijn hart.

En ik vroeg me af waarom ik mijn hele leven overtuigd was geweest dat niemand om me gaf, waarom ik me altijd het buitenbeentje had gevoeld dat onmogelijk bij de groep kon gaan staan omdat het te anders was dan de anderen. Vijf decennia lang had ik me schuil gehouden op een eiland dat vlakbij het vasteland lag, maar er nooit tegenaan kon leunen. Op het strand lag een bootje dat me naar de rest van de mensheid kon varen. Maar angst hield me tegen. Door een verrekijker tuurde ik naar het land, naar al die individuen die hun emoties wel onder controle konden houden en die zonder angst in het midden van een groep konden staan. Mensen die bestand waren tegen de harde wereld, die naar feestjes gingen en zich daar op hun gemak konden voelen, die waren wie ze waren en dat helemaal oké konden vinden.

Vanbuiten was ik een volwassen vrouw. Vanbinnen bleef ik het meisje met de flinterdunne huid, waar gemene woorden ongefilterd doorheen drongen, recht naar dat hart dat sinds mijn derde levensjaar steeds verder ineengekrompen was. Ik was nog altijd de kleuter die zich in een hoekje teruggetrokken had na de zoveelste aanval en daar was blijven zitten, hopend dat niemand hem zag.

Maar ineens was daar mijn nieuwe job geweest. Hij had de redding geleken. Wanneer ik mensen kon begeleiden, wanneer ik anderen kon leren omgaan met het monster van de angst, leefde ik op. Ik ontwikkelde een trots, een zelfzekerheid en een voldoening die ik nooit eerder had ervaren. Ik lanceerde mezelf, kreeg vleugels, voelde dat dit was wat ik voor de rest van mijn leven wilde doen.

Misschien kwam alles toch nog goed.

En toen kwam die vreselijke diagnose, die als een doodsvonnis aanvoelde en mijn hele bestaan aan diggelen sloeg. Ik vroeg me af waarom ik, waarom dit, waarom nu, waarom, waarom, waarom, …

Maar intuïtief kende ik het antwoord. Elke cel van mijn lichaam was vergiftigd door angst en door stress. Als ik ook maar een kans wilde maken op overleven, dan zou ik die eindelijk voorgoed uit de weg moeten ruimen.

Het voelde alsof mijn wereld nog kleiner zou worden. Er was alleen nog mijn bed en het ziekenhuis, er was alleen nog de pijn, de knock-out, de angst om te sterven.

Ik dacht dat de eenzaamheid nog intenser zou worden. Dat ik op mijn eiland zou blijven met mijn angst terwijl op het vasteland de rest van de mensheid bleef werken en hollen.

Maar toen verspreidde het nieuws zich. Meteen stroomde de liefde uit alle windrichtingen binnen in mijn huis en in mijn hart. Ik werd overspoeld door berichten en attenties. Talloze mensen vroegen me of ze me een bezoekje mochten brengen.

Ik kon geen bezoek aan, ik vertelde hen dat het me speet, dat ik te moe was om te praten, dat ik de confrontatie met mensen die ongestoord verder mochten leven niet aan kon, dat ik alleen mijn gezin wilde zien en dat ik de klap eerst samen met hen moest kunnen verwerken, die klap die maar bleef nagalmen, alsof ik nooit zou wennen aan wat me overkwam.

Maar ik voelde de bezorgdheid, de opstandigheid die ook anderen uitspraken tegenover hoe het lot me trof. Datzelfde hart dat ooit tot een erwt gekrompen was, vulde zich elke dag met meer liefde. Het groeide en gloeide. Het voelde warm.

En ik wist dat ik me had vergist. Dat ik mijn hele leven een last met me meegesleurd had die op valse indrukken was gebouwd. Dat ik, ook in mijn anders-zijn, mocht zijn wie ik was. Dat anders gewoon anders was en niet slechter. Er waren ook naast mijn gezin, ook naast mijn ouders, naast mijn broer en zus, echt wel mensen die van me hielden. Ze waren zelfs met veel. Ze waren met zoveel dat ik het niet kon bevatten. Ze kropen uit hoeken en spleten, uit holtes waar ze tientallen jaren onzichtbaar waren geweest. Ze kwamen soms uit een ver verleden, als geesten die aanklopten en hulp wilden bieden.

Ik ben nog steeds niet klaar voor bezoek. Elke dag laat mijn hoofd meer haren los en dat valt me nog zwaarder dan ik had verwacht. Morgen zal ik alle moed verzamelen om de tweede dosis chemo te gaan ontvangen. Ik heb de eerste nauwelijks overleefd.

Maar ik voel me niet alleen. Ik heb het bootje genomen dat al die jaren voor anker lag. Ik heb mezelf naar het vasteland geroeid.

De ziekte is een ongenadig beest. Ze hakte mijn dromen aan stukken, ze ontwaakte een kwaadheid die ik nooit bij mezelf heb gekend, een woede om alles wat me afgepakt werd. Maar ik voel me gedragen door vele handen, door elk lief bericht, door elk kaartje en elk boeket.

Haar na haar valt neer op de tafel. Lieve woorden vullen mijn hart.

BLOG CATEGORIEËN

RECENTE BLOGS

De gremlins

De gremlins

De laatste bloedtransfusie had mijn lijf nog één chemo verder gesleurd. Toen lukte ook de truc met...

Lees meer

0 reacties

Een reactie versturen

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Pin It on Pinterest

© Flying Queen